De van Niftrik route

Op de fiets naar Parijs

De start van een internationale escapeline

De van Niftrik route ontrafeld. Op 14 juli 1940 verliet Frits van der Schrieck, rechtenstudent uit Leiden, zijn ouderlijke woning op de Frankenslag 147 in Den Haag voor een avontuurlijke verkenningstocht op de fiets naar familie in Parijs. Frankrijk had zich net overgegeven aan Duitsland, maar de route was beslist niet zonder gevaar. Frits legde zo de basis voor wat zou uitgroeien tot een succesvolle internationale ontsnappingsroute.

Na de Nederlandse capitulatie op 15 mei 1940 en het vertrek van de laatste Franse soldaten – Frankrijk gaf zich over op 22 juni 1940 – was heel Nederland bezet. Op Zeeland na, dat twee dagen langer stand hield. De Duitsers hadden alle uitvalswegen over land vrijwel meteen afgesloten en onder strenge controle geplaatst. Frits, toen 23 jaar, negeerde de nieuwe Duitse maatregel, die een vergunning verplicht had ingesteld voor een reis naar het buitenland. Zijn slogan was: Je weet pas wat een regel inhoudt als je deze overtreedt. Hij was een pionier en netwerker pur sang. De vrijheid stroomde door zijn bloed en als hij het land uit wilde dan moest hij inventief zijn. Hij spoorde de mazen van het net op. Zijn idee voor een ontsnappingsroute kreeg vorm: nu bekend als de van Niftrik route.

Brieven aan Parijs

Goed voorbereid stapte Frits op de fiets en zette koers richting de Franse hoofdstad. We volgen hem aan de hand van zijn eigen (reis)verslagen en ander bronnenonderzoek, dat decennia later nog steeds geheimen prijsgeeft. Zo kunnen we nu met zekerheid stellen dat Frits de grondlegger is van wat zou uitgroeien tot een bekende internationale escapeline. Een route langs onderduikadressen naar onbezet gebied. Richting de vrijheid.

Aan de hand van zijn uitgestippelde route en adressen fietste Frits in juli 1940 in zijn eentje naar het zuiden, om deze ontsnappingsroute te kunnen opbouwen. Hij verzamelde brieven voor familieleden die op of langs de route woonden, om hen te laten weten hoe de toestand op dat moment in Nederland was. Vermoedelijk vroeg hij hen in zijn brieven om hulp of onderdak, voor toekomstige Nederlandse vluchtelingen. Hij wist dat die hulp later broodnodig zou zijn. Wilde hij zeker zijn dat de brieven de mensen bereikten, moest hij ze zélf in de bus stoppen.

Restanten van de oorlog

Zijn fietstocht voerde hem van Nederland dwars door Vlaanderen en Wallonië. Na Mons, de stad Bergen in België, fietste hij de grens over naar de Franse vestingstad Bavay, waar hij nog wat eten vond in een kapotte Duitse tank. Vandaar zette hij koers naar de Franse hoofdstad. Hij fietste langs Cambrai, Peronne, Roye, Compiègne en Senlis naar Pontoise, een voorstad van Parijs. Hij zag er de oorlog in volle ellende. Bij de brug over de l’Oise was flink gevochten. De lijken van mensen en paarden lagen er op de weg. De deuren van de huizen stonden open en bij een bepaald huis moest hij een brief posten. Hij zag dat allerlei kasten waren opengegooid en besefte dat er geroofd was. Alsnog legde Frits de brief neer, in de hoop dat de oorspronkelijke bewoners hem later zouden ontdekken.

 

Nationaal Archief 2.13.137, Dossier 3930, dossier 43 – 503, Min. Van Defensie 1940 – 1956 Ordedienst en Binnenlandse Strijdkrachten, Map – 2.13.137 Schrieck , F.N.F. 16-4-1917.

Frits voerde in augustus tot oktober 1940 persoonlijk verkenningen uit in Zuid-Nederland, België en Frankrijk, teneinde een eventuele escapeline te kunnen vormen en verzamelde hierbij tevens militaire inlichtingen, die hij weer doorgaf.

Nederlands Nationaal Archief

“Waar gaat u naartoe, meneer?”

Frits ondervond dat grensoverschrijdingen nog niet zo moeilijk waren, aangezien de Duitsers zich tot de op de kaart aangegeven posten beperkten. Met name te Saint-Quentin, een stad op zo’n 150 kilometer ten noorden van Parijs, en in Parijs zelf nam hij de situatie onderweg goed op. Hij zorgde ervoor dat hij niet te veel opviel. Al trok zijn Hollandse herenfiets wel de aandacht tussen de Franse fietsen met racestuur. Het beste was de fiets te voorzien van een racestuur of in Antwerpen om te ruilen tegen een Frans model, zo bedacht hij.

Onderweg at en sliep hij bij boeren. Hij paste zich vrij makkelijk aan in andere milieus en was een echte ritselaar. Hij was charmant en aimabel, waardoor hij geregeld gedaan kreeg waar hij om vroeg. Dat hij goed Frans sprak, was een groot voordeel. Hij was evenwel snel tevreden en sliep zonder morren op hooi in de schuur.  Onderweg realiseerde hij zich dat hij een geloofwaardige verklaring moest hebben als hij werd aangehouden met de vraag “Waar gaat u naar toe?” Hij zorgde dat hij de dichtstbijzijnde stad opnoemde en bleef voorlopig ongemoeid.

Uit en thuis binnen tien dagen

Parijs was leeg. De Franse regering had zich gevestigd in Bordeaux na de opmars van de Duitsers. Van de familie trof Frits in de Franse hoofdstad maar één persoon thuis aan. Veel Fransen waren uit Parijs gevlucht voor de oprukkende Duitsers. Zijn overige brieven stak hij dan maar op goed geluk in de brievenbussen. Zo ook voor het familielid Jean Charriau, die de brief ruim 600 kilometer verderop alsnog later ontving. Iemand had de brief gevonden en nagezonden naar Le Canon in het departement Gironde, ten westen van Bordeaux, waar Charriau naartoe was gevlucht. Frits ontving later een aardig briefje terug van hem en noteerde in zijn adresboekje: ‘Brief gevonden, meidagen ’40 (Gironde), later opgezonden. Aardig briefje terug ontvangen.’ Het adresboekje van Frits is al die tijd bewaard gebleven. Er staan veel adressen in, voornamelijk in Nederland, België en Frankrijk.

 

Uit het adresboekje van Frits: het adres van Jean Charriau, Avenue de l’Armistice.

Frits was snel weer thuis. Hij kreeg een lift van een Nederlandse vrachtautochauffeur en met fiets en al kon hij meerijden tot Rijswijk, vlakbij Den Haag.

 

22 juli – Frits terug van fietstocht.

Frits terug van fietstocht. De 14e was hij weggegaan met de mededeling dat hij misschien wel naar Brussel ging. Hij is te Parijs geweest. Een prestatie in tien dagen uit en thuis. Hij heeft brieven bezorgd van tante Ita van der Voort voor de familie in Frankrijk, waarvan vijf mannen in dienst waren en waarvan zij in grote ongerustheid was. Ook voor een professor brieven meegenomen. Van de familie nog niemand terug te Parijs. Een avontuurlijke tocht, net een kolfje naar Frits zijn hand.

Fré van der Schrieck, vader van Frits

Dagboek, 22 juli 1940

Tot nu toe was verschenen dat Frits een maand eerder naar Frankrijk was vertrokken, op 14 juni. Dat had hij zelf daarover verklaard, jaren later in augustus 1945. Halverwege juni leverde Frankrijk echter nog zware gevechten tegen de Duitsers. Dat Frits dwars door dit oorlogsgeweld zou fietsen, lijkt haast onmogelijk. Aannemelijker is dat hij – zoals zijn vader in zijn dagboek schreef – vertrok op 14 juli, na de capitulatie van Frankrijk. Zijn vader hield nauwgezet een dagboek bij en maakte pas in de maand juli melding van Frits zijn vertrek en later – op 22 juli – van zijn thuiskomst.

 

In een verslag dat Frits in augustus 1945 schreef, zegt hij in juni 1940 naar Parijs te zijn gefietst. Omdat Frankrijk toen nog in volle oorlog was met Duitsland, lijkt dat onwaarschijnlijk. Aannemelijker is dat hij in juli vertrok, zoals ook zijn vader noteerde in het dagboek dat hij nauwgezet van dag tot dag bijhield.

 

Zijn eerste verkenningstocht was een succes. Onderweg overwon hij enkele hindernissen en improviseerde hij vaak ter plekke. Hij regelde zijn eigen onderdak, voedsel en had geen Belgische papieren, gidsen of passeurs tot zijn beschikking. Een passeur was iemand die tijdens de oorlog mensen hielp en begeleidde zowel bij de grens als tijdens de verdere reis door bijvoorbeeld trein- of buskaartjes of de nodige documenten te regelen. Zijn praktische ervaringen kwamen goed van pas en alle hulp die hem onderweg werd aangeboden, zou hij opnemen in zijn toekomstige escapeline.

De zuidelijke route over land

Meteen na zijn terugkeer uit Parijs deden diverse personen een beroep op Frits en vroegen naar zijn gevolgde route en observaties. De zuidelijke route stond erom bekend gevaarlijk te zijn. Niet alleen omdat de route lang was en langs vele grenzen liep. Er waren ook natuurlijke obstakels zoals de Pyreneeën of rivieren waarvan de bruggen waren opgeblazen en de vele controles onderweg. Het risico om gepakt te worden was groot. Maar het slagen van de vluchtpoging stond of viel met een belangrijke hindernis: het overschrijden van de Nederlands-Belgische grens.

Het clandestien overschrijden van grenzen was het meest hachelijke moment op de zuidelijke route, het overleven van controle in het openbaar vervoer kwam beslist op de tweede plaats.

Agnes Dessing – boek Tulpen voor Wilhelmina

Voor aspirant Engelandvaarders was het goed om meer informatie in te winnen. Ieder voor zich moest maar beslissen welk risico zij aanvaardbaar vonden. Aanvankelijk vertrokken de meesten op de bonnefooi en waren afhankelijk van hun eigen improvisatievermogen, hulp onderweg en een flinke dosis geluk. Pas halverwege 1941 ontstonden georganiseerde organisaties, maar ermee in contact komen, bleek niet eenvoudig.

De kortste route naar Engeland was over de Noordzee en klonk aantrekkelijk, maar Frits wist dat de risico’s groot waren en de kans op slagen bijzonder klein. Wonende aan de kust, kende hij de gevaarlijke stromingen met de onverwachts veranderende weersomstandigheden en had hij ontzag voor de gevaren van de Noordzee.

Zijn aandacht ging uit naar mogelijkheden over land via het zuiden, mede door zijn vele adressen van familieleden in Frankrijk. Hij voelde zich ongetwijfeld bevoorrecht met deze Franse tak van de familie.

Later zou de kust overigens verboden gebied geworden na de aanleg van de Atlantikwall, een meer dan 5000 kilometer lange verdedigingslinie van de Duitsers langs de Europese kustlijn. Ontsnappen via zee zou vanaf 1942 vrijwel onmogelijk worden.

Van verkenner tot verzetsman

Uit bronnenonderzoek blijkt dat Frits al in een vroeg stadium van de bezetting het plan opvatte een ontsnappingsroute achter de hand te houden. Om te begrijpen hoe hij daartoe kwam, moeten we terug naar zijn jeugdjaren. Frits was als tiener (zee)verkenner bij de Driekoningengroep van de parochie Sint-Antonius Abt in Scheveningen. Zijn vader bekleedde er in juni 1940 nog de functie van voorzitter van het groepscomité.

In zijn dagboek ‘Mon sejour à Ans – Mijn verblijf in Ans’ en het blaadje ‘Vossenkrabbels’ – dat in januari 1941 verscheen naar aanleiding van het tienjarig bestaan van de Driekoningengroep –  lezen we bovendien hoe goed Frits het grensgebied kende.

Hij was in de zomer van 1932 als 15-jarige op verkennerskamp geweest, in het gebied rond Huijbergen, een dorp ten zuidoosten van Bergen-op-Zoom, vlakbij de Belgische grens. Het was zijn eerste grote kampgebeuren van 1 tot 10 augustus, op het terrein achter het Instituut Sainte Marie. Uit het verslag dat Frits daarover jaren later schreef, kunnen we opmaken dat het een harde leerschool was. Vooral de beslommeringen rondom de menage, het huishouden, brachten hen tot wanhoop. Grappig om te lezen is dat de onervaren groep moeite had om op een primitieve manier een fatsoenlijke maaltijd te bereiden.

Met de paters en de bevolking boterde het best, al verstonden sommigen het Brabantsche dialect nauwelijks. Toch waren bij den kruidenier achter de toonbank de doosjes scherpe drop gevonden. Het was het eerste grote kampgebeuren en een harde leerschool voor allen. Bij het avondspel raakten er een paar over de Belgische grens verdwaald. Boter werd royaal in den afvalput gedeponeerd.

Frits van der Schrieck

Vossenkrabbels, lustrumuitgave 1941

Over smokkelpaadjes en botersmokkel

De verkennerij was een uitdagende, ontspannende en leerzame hobby voor Frits, schreef zijn vader Fré. Het droeg bij aan zijn brede ontwikkeling zoals situaties schetsen, survivallen, observeren, kaart en kompas lezen, hiken in de bossen. Frits maakte kennis met de natuur en leerde zijn mannetje staan, zowel alleen als in groepsverband.

Frits realiseerde het zich toen niet, maar alle indrukken en ervaringen die hij daar zou opdoen, zouden onuitwisbare sporen bij hem nalaten voor de rest van zijn leven. Niet in het minst het verkennen van de smokkelpaadjes, die ze al spelenderwijs gebruikten om clandestien de grens naar België over te steken. In de diepe duisternis en nevel werden hun zenuwen op de proef gesteld bij de avondspelen, waarbij ze met stormlampen schimmen konden ontwaren van sluipende en vechtende verkenners.

Al jaren waren smokkelaars actief in het grensgebied. In de loop van de tijd waren er smalle kronkelige smokkelpaadjes ontstaan die van Nederland naar België liepen en zou boter het meest winstgevende smokkelproduct worden. Acht jaar later zou Frits geen boter maar personen en inlichtingen over de Nederlands – Belgische grens smokkelen.

Met de verkennerij zou Frits regelmatig terugkeren naar de grensstreek. Zo werd een troepkamp gehouden van 27 juli tot 4 augustus 1934 in Chaam, Noord-Brabant. Ook hier zouden de jongens de Nederlandse-Belgische grens oversteken door de bossen.

Aan hout geen gebrek. We sjorden een hoge toren in elkaar. Kees Gunneweg en Frans Albers waren fourageurs. Ze wisten telkens op onnaspeurlijke wijze aan limonadeflesschen te komen. Enkele haasjes, door ondeskundige beunhazen geslacht, smaakten heerlijk. Veel last ondervonden we van de stekelige horzelvliegen. Hikes werden gemaakt naar Meerle in België.

Frits van der Schrieck

Vossenkrabbels, lustrumuitgave 1941

Leuk detail: op 5 april 1934 was Frits met de troepvlag aanwezig bij een audientie bij Paus Pius XI. Hij maakte deel uit van een groep van 75 Nederlanders die deelnamen aan een Belgische verkennersbedevaart naar Rome.

Ontstaan van de van Niftrik route

Frits zou ook buiten de verkennerij gebruik blijven maken van zijn kennis van het grensgebied. Zo lezen we in een reisverslag dat hij op de terugweg uit Ans bij Luik in 1936 via Brussel naar Essen fietste en daar het smokkelaarspaadje nam langs Zundert, op weg naar Breda. Ongemerkt kon je daar de grens passeren, omdat delen ervan dwars door het bos lagen.

Om half tien in het Belgische Esschen. Langs smokkelaarspaadje naar Zundert en van daar naar Breda. Hier ben ik even aan geweest bij de familie van Slobbe, maar had daar al gauw mijn biezen gepakt. Met mijn vuile schoenen, door de gang die glom voor de officiële receptie ’s middags daar omdat meneer pas burgemeester is.

Frits van der Schrieck

6 september 1936

Mon séjour à Ans – Mijn verblijf te Ans

Niet alleen kende Frits het grensgebied als zijn broekzak, hij had ook van een jaargenoot geografie, Kees Zilverschoon, gehoord over de gunstige ligging van het woonhuis van de familie van Niftrik in Putte, tegen de Belgische grens. Zilverschoon had samen met zoon Henri van Niftrik in dienst gezeten in 1939 en kende de situatie ter plekke.

Op zijn eerste verkenningstocht verkende Frits de situatie aan de Nederlands-Belgische grens in Putte. De familie van Niftrik was juist teruggekeerd naar hun huis in het Nederlandse Putte na een verblijf van ongeveer 2 maanden in het Franse Bordeaux. Op 14 mei 1940 moesten zij op bevel van de Franse militaire autoriteiten immers evacueren. Het gebied rondom Breda dreigde in de vuurlinie te belanden bij gevechten tussen de oprukkende Duitse en Franse eenheden.

Bij terugkomst was hun huis ongeschonden, doch vrijwel geplunderd. Vader Job van Niftrik was directeur van de plaatselijke bakelietfabriek, op het familielandgoed ‘Welkom’ aan de Bosweg 2. Het gezin woonde er in de directeurswoning. Deze lag zeer geïsoleerd op zowat een kilometer van het dorp in een park, dat vrijwel tot aan de Nederlands-Belgische grens reikte. De zandweg ten zuiden van het terrein vormde de grens, die Nederland van België scheidde.

Later zouden Duitse schildwachten patrouilleren op deze zandweg. Zij waren makkelijk om de tuin te leiden, waardoor passanten clandestien de grens konden oversteken en via een omweg het huis van de Belgische overburen Meeus konden bereiken.

Grondlegger van een internationale escapeline

Belangrijk om op te merken is dat er nog geen sprake van was dat de van Niftriks zelf al een ontsnappingsroute hadden georganiseerd. Het was Frits die daar de aanzet toe gaf, al bij zijn eerste fietstocht naar Parijs in juli 1940.

“Ik ben in eerste instantie op de fiets geklommen en ben gaan zien hoe de situatie er in Parijs uitzag. Op die tocht heb ik wel iets geleerd. Ik kwam in contact met de familie van Niftrik in Putte”, zo zou hij later verklaren in een interview in maart 1984. Hij herhaalde, desgevraagd, dat hij in het prille begin, dus bij zijn eerste fietstocht met de van Niftriks in contact kwam.

Vanaf de eerste ontmoeting ontstond er een bijzondere vertrouwensrelatie tussen Frits en Betty, een Belgische van geboorte, en Job van Niftrik, die tot aan hun dood zou blijven bestaan. De familie van Niftrik genoot een zeker aanzien in de regio. Ondanks dat ze makkelijk konden profiteren van de hoogconjunctuur met hun fabriek kozen zij om het vaderland te helpen en dat was bewonderenswaardig.

Getuigen omschrijven Betty van Niftrik als een koelbloedige en dappere vrouw, die in volle oorlog haar huis openstelde voor in nood verkerende Nederlanders. Bij afwezigheid van haar man, nam zij alle werk betreffende de route waar. Eén ding had ze op haar man voor: ze was voorzichtiger én verstandiger. Het is mede dankzij haar inzicht dat de route al die tijd clandestien kon opereren.

Ook na de oorlog is er altijd een bijzondere connectie gebleven tussen beide families. Zo werd Frits gevraagd te speechen op de begrafenis van Betty van Niftrik in 1985.

Gevoelsmatig voel je aan dat er een bijzondere band was ontstaan tussen mijn vader en de familie van Niftrik. Met van Niftrik is nooit besproken we gaan een route opbouwen. Dat is zo gegroeid. Mensen waren bereid te helpen. Hij heeft daarover met ons echter nooit gesproken.

Barbara van der Schrieck

Dochter Frits

Tekens aan de wand

Frits was realistisch en in een vroeg stadium van de bezetting zag hij: dit gaat niet goed. Zelf was hij niet van plan te vluchten, hij wilde zijn studie afmaken en in geval van nood bij zijn familie zijn. Maar hij voorzag dat er in de nabije toekomst behoefte zou zijn aan een escaperoute. Voor diegenen die om wat voor reden dan ook Nederland moesten of wilden verlaten. Hij had weinig vertrouwen in hetgeen de bezetter met zich meebracht. Begin jaren ’30 was hij op vakantie in Duitsland met zijn ouders en zussen getuige geweest van de nazipropaganda van de jeugdbeweging Hitlerjugend, verplicht voor alle Duitse jongens. Ook het optreden van de SA, Hitler’s knokploeg, en de SS, het nazileger, liet een diepe indruk na op Frits.

Ook de beperkende maatregelen in eigen land zoals de verduistering – het verplicht donker maken van huizen om een luchtaanval van de geallieerden te bemoeilijken – de avondklok en het afschaffen van de persvrijheid waren voor Frits een teken aan de wand, dat het nationaalsocialisme weinig goeds zou brengen en dat het zou leiden tot een zware onderdrukking van het volk.

Frits streefde juist naar vrede door het leggen van internationale contacten, ongeacht van welke afkomst of nationaliteit iemand was. Als voorzitter van de Leidse afdeling van de International Friendship League, een internationale vredesbeweging, had hij in november 1938 nog een fancy fair georganiseerd in Het Witte Huis te Oegstgeest voor Duitse vluchtelingenkinderen, die in Naarden in de opvang zaten. De opbrengst was 180 gulden, nu zo’n 80 euro, wat voor die tijd best veel geld was.

De trieste verdwijning van Bram Rutgers

Na Putte zette Frits zijn verkenningstocht voort naar Antwerpen. Zijn huisgenoot Bram Rutgers, zoon van dominee Abraham Rutgers uit Rotterdam, was na de meidagen niet meer teruggekeerd naar Leiden en Frits trok zich het lot van Bram aan. Tot lang na de oorlog bleef de hoop bestaan dat Bram nog in leven was.

Beste Frits,

Ik kwam toevallig in contact met een psychometrist uit m’n wijk en liet hem een portret van Bram aanvoelen. Hij voelde een sterk verlangen om ons te laten weten waar hij was, maar hij kon niet. Hij vroeg of hij over zee was en zei hem te zien in een wit pak en witte schoenen. Bram was gezond en met z’n wilskracht zou hij zich een weg banen.

We leven dus in goede hoop op een gelukkig weerzien en dat hij dan wellicht z’n carrière heeft gevonden.

Abraham Rutgers

Brief aan Frits, 16/10/1940

Mensen hoopten dat hun broer, vader of vriend nog in leven zou blijken te zijn, om uiteindelijk – na jaren – te moeten berusten in het feit dat zij de geliefde persoon nooit meer zouden zien. Door het volkomen gebrek aan informatie gingen sommige nabestaanden zich van alles in het hoofd halen, piekerend over wat er eventueel gebeurd zou kunnen zijn.

Agnes Dessing – boek Tulpen voor Wilhelmina

Van onze zoon Bram heb ik nooit meer iets vernomen. Ik zal hem dus wel als verloren en verongelukt moeten beschouwen, misschien wel tussen de raderen van het Englandspiel of misschien als hij nog leeft achter het ijzeren gordijn. Elke aanwijzing ontbreekt. Ook deze martelende onzekerheid is zwaar te dragen.

Phine Rutgers-Veenhuijzen

Brief aan H. Boschma te Hilversum, 16/9/1949

De Bram in kwestie was Bram Rutgers, destijds 24 jaar en student in Leiden. Op 14 mei 1940 vertrok hij uit zijn woonplaats met de bedoeling de Engelse linies te bereiken. Hij werd voor het laatst gesignaleerd in Roosendaal op 17 mei 1940, daarna ontbreekt ieder spoor. Zijn ouders vonden het een ‘onbezonnen daad’, maar waren overgelukkig toen zij begin 1942 het ‘bewijs’ leken te krijgen dat Bram in Engeland was aangekomen. Zij hoorden dat hij in december 1941 voor Radio Brandaris tot zijn familie zou hebben gesproken. Of dat echt zo was, kon na de oorlog – bij gebrek aan een archief bij Radio Brandaris – echter niet worden geverifieerd. Ook navraag bij het Engelse Home Office leverde niets op. Er stonden wel Nederlanders met de naam Rutgers in Engeland geregistreerd, maar geen enkele met de initialen en geboortedatum van Bram. Ondanks allerlei andere naspeuringen door de familie was en bleef Bram Rutgers onvindbaar.

Agnes Dessing

Boek Tulpen voor Wilhelmina

Ook vader Rutgers zou de oorlog niet overleven. Abraham Rutgers was een hervormd predikant die de aandacht op zich vestigde toen hij op zondag 1 september 1940 tijdens de dienst het Wilhelmus aanhief. Daarna zou hij zesmaal bij de Duitse politie ter verantwoording worden geroepen voor anti-Duitse en Oranjegezinde uitlatingen. Zijn preek op eerste Pinksterdag 1941 was de laatste druppel en aanleiding voor zijn arrestatie. Hij werd opgepakt en stierf in 1942 in het concentratiekamp van Dachau.

Antwerpen

Terwijl Agnes Dessing in haar boek Tulpen voor Wilhelmina schrijft dat Bram laatst gesignaleerd was in Roosendaal op 17 mei 1940, weten we dankzij het archief van Frits dat Bram zeker Antwerpen heeft bereikt. Frits ging polshoogte nemen in Antwerpen en hoorde van de familie de Haan dat Bram er gelogeerd had.

Bram was naar zijn ouders in Rotterdam vertrokken. Na de capitulatie is hij naar Antwerpen gegaan, waar hij bij dominee de Haan logeerde. Daarna is niets meer van hem vernomen. Vermoedelijk is hij omgekomen in de strijd rond Duinkerken. Zijn vader is in 1941 opgepakt en in 1942 in Dachau vermoord.

Frits van der Schrieck

Oorlogsverhaal kinderen en kleinkinderen

Het adres van dominee P. de Haan in de Lange Winkelstraat in Antwerpen ging deel uitmaken van een reeks adressen in de ontsnappingsroute via van Niftrik. Ook de Antwerpse familie van Dulken zou een grote last op zich nemen. Soms vingen ze wel zes passanten tegelijk op voor 10 tot 20 dagen. Vader Henk van Dulken was een trouwe vriend van Job en Betty van Niftrik en was voorzitter van de Hollandse Club te Antwerpen. Beiden families stelden hun huizen geregeld open voor de Nederlandse vluchtelingen, die op doorreis waren naar Frankrijk en Zwitserland. De huisvesting was noodzakelijk voor het in orde maken van Belgische papieren van de reizigers. Voedsel werd door de families zelf geregeld en bekostigd.

Toen later vader Henk van Dulken en zijn zoon Frans werden opgepakt, bood dominee de Haan aan van Niftrik verder te helpen. Van het edelmoedige aanbod durfden de van Niftriks slechts beperkt gebruik maken, omdat de relatie tussen beide families te algemeen bekend was.

Familie in Bordeaux

Frits zijn escaperoute liep aanvankelijk door West-Frankrijk via familie in Bordeaux. Zij wisten hoe en waar ze de demarcatielijn of de Pyreneeën het beste konden oversteken. Eén van die familieleden was zijn oom Henk van der Voort, wiens zoon Henri de demarcatielijn met succes had weten over te steken.

In het adresboek van Frits vinden we het adres terug van de familie van der Voort:  het wijndomein Château Bellegrave in Pauillac, vlakbij Bordeaux.

Henry van der voort

Het adres van oom Henk van der Voort, Cours Pasteur, Bordeaux, Gironde. Château Bellegrave Pauillac, Maison A. Roux. Het wijndomein was oorspronkelijk in handen van Armand Roux. Na zijn dood in 1901 kwam het in handen van zijn zakenpartner en enige erfgenaam Henk van der Voort.

Zoon Henri van der Voort behaalde in 1939 zijn academische graad in de rechten aan de rechtenfaculteit van de Universiteit van Bordeaux. Het jaar daarop meldde hij zich als vrijwilliger bij de American Field Service en reed hij een ambulance vol oorlogsvluchtelingen uit Parijs tot aan de Spaanse grens, op de vlucht voor de oprukkende Duitsers.

Hij vertrok naar Amerika via de Côte d’Azur, Marokko en vervolgens Lissabon, waar hij aan boord ging van een schip van ongeveer 700 vluchtelingen op weg naar New York. Later verhuisde hij naar San Francisco en werd hij een succesvol wijnhandelaar.

Aangezien de eerste studenten via de van Niftrik route door West Frankrijk zijn gereisd, is het evident dat zij onder meer bovenstaand adres van Frits hadden meegekregen en dat ook de familie van der Voort bereid was te helpen, net als de familie Charriau uit Parijs, die gevlucht waren naar Le Canon bij Bordeaux.

Chateau Bellegrave, Van der Voort
Een fles wijn van het wijndomein van de familie van der Voort
Château Bellegrave, Pauillac
Het wijndomein is vandaag niet meer in handen van de familie van der Voort.

Langs het traject Putte – Antwerpen – Parijs – Bordeaux zijn, voor zover bekend, een handvol personen kunnen ontsnappen aan de bezetter.

Zeer veel studenten uit Leiden en Delft, tal van vrienden uit de Leidse studentenkringen heb ik kunnen laten ontsnappen via de familie van Niftrik in Putte.

Frits van der Schrieck

Frits zijn initiatief zou uitgroeien tot de bekende Van Niftrik route, een succesvolle georganiseerde internationale ontsnappingsroute, waarlangs velen aan de Duitse bezetter zouden ontsnappen. Langs de route wisten onder andere vervolgden, Engelandvaarders, studenten, koeriers en bemanningsleden van neergehaalde vliegtuigen richting vrijheid te vluchten. Minstens even waardevol zijn de inlichtingen die via België, Frankrijk en Zwitserland tot in Engeland vervoerd zouden worden. Onder meer de Delftse student Han van Hattem, die spioneerde voor de inlichtingendienst, stuurde zo zijn rapporten naar de Nederlandse regering in Londen. Onverschrokken en dapper bouwde Frits een heel netwerk uit, in een tijd waar er nog helemaal geen verbinding geregeld was met Londen.

 

Cruciale rol

Pas recent is duidelijk geworden welke belangrijke rol Frits heeft gespeeld bij het ontstaan van de van Niftrik route. Lange tijd werd aangenomen dat de familie van Niftrik de initiatiefnemers waren geweest of streken anderen de eer voor de route op. Over de route is door de jaren heen veel geschreven in Nederland en België. Vaak was dat op basis van naoorlogse getuigenissen, waardoor de verhalen wel eens tegenstrijdigheden of onjuistheden konden bevatten.

Eén en ander was al duidelijk geworden nadat in de loop der jaren verschillende bronnen melding maakten van adressen, die precies overeen bleken te komen met adressen die Frits in zijn adresboekje had genoteerd. 

Zo schrijft mede-verzetsstrijder en inlichtingenofficier Herman Speyer in zijn memoires dat hij via de van Niftrik route de Belgische grens overstak en tijdens zijn vlucht kon onderduiken op een zolderkamertje in Parijs met adres Rue de la Petite Arche 8. 

Adres van oom Brunetière, Rue de la Petite Arche 8, Paris

Het adres van Frits zijn oom Brunetière in Parijs zou later gebruikt worden als onderduikadres van de van Niftrik route.

 

Hetzelfde adres vinden we terug in het adresboekje van Frits. Het blijkt het adres te zijn van zijn oom Henri Brunetière, een kolonel die tijdens de oorlog bij het Franse leger diende. Hij was getrouwd met een tante van Frits langs vaderskant en dus een aangetrouwde oom van Frits. De familie Brunetière woonde in Nice, maar had ook een verblijf in Parijs.

Laat dat adres in Parijs nu één van de vele adressen zijn die Frits tijdens zijn verkenningstocht naar Parijs in zijn adresboekje neerpende. Het is het bewijs dat Frits tijdens zijn verkenningstochten adressen verzamelde, die later dienst zouden doen als onderduikadres.

Verschillende personen hebben na de oorlog verklaard bepaalde adressen – waaronder dat van van Niftrik – gekregen te hebben van hun Leidse jaargenoot Frits van der Schrieck.

Zo schreef Engelandvaarder Pieter Hans Hoets, Frits zijn buurjongen op de Frankenslag in Den Haag, in zijn boek Englandspiel Ontmaskerd op pagina 69 het volgende:

In het voorjaar van 1941 bereidde ik een nieuw plan voor om naar Engeland te ontvluchten, ditmaal via Spanje, langs adressen in België en Frankrijk, die ik van mijn buurman in Den Haag, de Leidse derdejaars student Frits van der Schrieck, had gekregen. Ook een zelf-starter. Hij had deze route verkend.

In een ander boek Vrijgevaren schreef Hoets specifieker welke adressen Frits hem had gegeven:

Als ik zo met Frits op mijn kamer in de Frankenslag praat, hoor ik dat hij een ‘escape line’ via Frankrijk naar Spanje verkend heeft op de fiets. Ik vertel hem wat over mijn activiteiten. “Wil je weg? Naar Engeland?”, vraagt hij. Leiden zit toch dicht denk ik en knik van ja. Frits aarzelt even. Dan geeft hij me zijn hele lijst met adressen. Ik lees: Van Niftrik – Putte – Belgische grens. Dan Van Dulken – Italiëlei – Antwerpen… Het laatste contactadres: Henri Brunetière – Avenue Durante – Nice – Cote d’Azur – Frankrijk. “Vandaar alleen doorstoten over de bergpassen van de Pyreneeën. Naar Spanje”. Ik kijk Frits aan “Ga je zelf? Hij glimlacht. “Er moeten ook mensen in Nederland blijven.” Ik begrijp hem wel zo’n beetje “Bedankt”, zeg ik. “Good luck.”

Krantenknipsel van Erik Hazelhoff Roelfzema

Erik Hazelhoff Roelfzema noemt Frits als anonieme organisator van één van de eerste ontsnappingsroutes.

Ook een artikel uit een onbekend tijdschrift dat recent opdook in het archief van Frits laat geen twijfel bestaan over de belangrijke rol die hij gespeeld heeft.

Tijdens een oud interview met Erik Hazelhoff Roelfzema in een op oorlogsmemoires gebaseerde tv-documentaire van de AVRO vertelde Hazelhoff Roelfzema dat een aantal Engelandvaarders (Peter Tazelaar, Gerard Dogger, Harm Steen en Erik Michielsen) eind januari 1942 Nederland verlieten en drie maanden later Engeland bereikten, na een tocht die sloot als een bus.

De anonieme organisator bleek later Frits te zijn, zijn vroegere Leidse studiegenoot en vriend.

 

De Leidse connectie

Het Leidsch Dagblad van 16 september 1946 maakt ook melding van ene H.P. van Dulken, Rapenburg 88, Leiden.

Tot nu toe werd aangenomen dat de relatie van een aantal families – van Niftrik, Meeus, Van Dulken en Desguin –  de basis vormde van de van Niftrik route. Dat er ook een link geweest moet zijn tussen studenten uit Leiden enerzijds en Leidenaren in Antwerpen anderzijds, is evenwel nooit onderzocht. In Frits zijn adresboekje vinden we daarvoor echter enkele belangrijke aanwijzingen terug, die op een dergelijke connectie kunnen wijzen.

Zo noteerde Frits in zijn adresboekje twee adressen op naam van de theologie student Hans P. van Dulken. Zowel in Leiden, Rapenburg 88, als in Antwerpen, op de Italiëlei 84. Dat laatste adres was het thuisadres van Henk van Dulken, een belangrijk onderduikadres van de van Niftrik route.

H.P. van Dulken, Rapenburg 88, Leiden

Het adres van Hans P. van Dulken, Rapenburg 88, Leiden. Uit het adresboekje van Frits

 

Hans van Dulken, Italië 84, Antwerpen

Frits noteerde in zijn adresboek ook een adres in Antwerpen voor Hans van Dulken: Italiëlei 84. Het adres zou later een belangrijke schakel vormen in een reeks onderduikadressen die gingen deel uitmaken van de van Niftrik route.

 

Navraag leert ons dat in de Almanak van het Leidse Studenten Corps Minerva – waar ook Frits lid van was – voor het jaar 1941 ene H.P. Dulken voorkomt, 1e jaars student theologie, die op de Rapenburg 88 woonde en wiens ‘vakantieadres’ was: Italiëlei 84 te Antwerpen.

H.P. van Dulken is dus Hans van Dulken, vermoedelijk een zoon van Henk van Dulken en een jongere broer van Frans. Het is goed denkbaar dat Hans als een soort liaison of tipgever in het adresboekje van Frits voorkomt. Iedereen kende iedereen op Sociëteit Minerva.

En dan is er nog Rietje Fortgens, die samen met Frits rechten studeerde in Leiden en net als hem lid was van de International Friendship League. Haar vader was destijds dominee en haar moeder had als meisjesnaam ‘de Haan’. Mogelijk was zij familie van dominee de Haan in Antwerpen, die later ook een rol zou spelen in de van Niftrik route.

Ook de verdwenen Leidse student Bram Rutgers kende dominee de Haan. Zowel vader Rutgers als de Haan waren dominee, zo kenden beide families elkaar allicht. Het verhaal van Bram Rutgers is belangrijk omdat het Frits linkt aan het adres van dominee de Haan in Antwerpen, dat deel ging uitmaken van de van Niftrik route.

Het zou kunnen dat Frits voor het eerst in contact kwam met dominee de Haan via de familie Rutgers, nadat hun zoon Bram verdwenen was en er het laatst gezien was. We kunnen er vanuit gaan dat de familie Rutgers het adres van de Haan aan Frits gaf, waarna hij er polshoogte ging nemen en het Antwerpse adres later zou opnemen in zijn escapeline.

Rietje Fortgens, Gebr. Treubstraat 5, Voorschoten

Rietje Fortgens, Gebr. Treubstraat 5, Voorschoten. Uit het adresboekje van Frits.

 

Dominee P. de Haan, Lange Winkelstraat 5, Antwerpen

Is er een link tussen Rietje Fortgens – wiens moeder de Haan heette – en dominee P. de Haan, Lange Winkelstraat 5 in Antwerpen?


Rietje Fortgens uit Voorschoten

Periodiek blaadje april 1940 De Postduif, de bond voor internationale vriendschap, met de naam van Mej. R. Fortgens, Rietje Fortgens dus.

Puzzelstukken

Het is duidelijk dat er een aantal belangrijke connecties te leggen zijn tussen studenten uit Leiden en Leidenaren in Antwerpen, allen op één of andere manier gelinkt aan de van Niftrik route én aan Frits.

Frits zelf overleed in 1999. Pas vele tientallen jaren na de oorlog vertelde hij over zijn oorlogservaringen in een voor zijn familie bestemd document ‘Oorlogsverhaal Frits. Aan mijn lieve kinderen en kleinkinderen’, nadat zijn oudste zoon Erik het advies gaf zijn verhaal op te schrijven. Tot op vandaag blijft een groot deel van het verzetswerk van Frits en dat van zijn verzetsvrienden onbekend.

Lang heb ik geaarzeld of ik jullie kan vertellen over de verschrikkelijke ervaringen die ik tijdens de oorlog heb beleefd.

Frits van der Schrieck

Dat hij naar Parijs fietste met het plan een internationale escaperoute op te bouwen, is ons de laatste jaren pas duidelijk geworden. Hij vertelde ons nooit wat hij zelf gedaan had, wel van anderen. Nu begrijp ik hoe lastig het is zijn verhaal te vertellen. Hij was betrokken bij allerlei illegale activiteiten, die streng verboden waren. Daarom konden maar weinig pioniers na de oorlog vertellen wat ze gedaan hadden.

Barbara van der Schrieck

Dochter Frits

Het vermoeden dat Frits een grotere rol had gespeeld dan tot dan toe bekend was, werd definitief bevestigd toen in april 2014 een belangrijk document boven water kwam uit een aparte archiefdoos van Frits die tot dan niet bij het familiearchief was gevoegd. Het gaat om een aanvraagformulier dat Frits invulde op 10 september 1963 gericht aan het Centraal Afwikkelingsbureau Duitse Schadeuitkeringen ter verkrijging van een uitkering wegens vrijheidsberoving.

Het was het eerste, tastbare bewijs waarin Frits zélf aangeeft dat hij naar Parijs fietste om een escapeline op te bouwen. Na jaren van onderzoek, het raadplegen van allerlei archieven en het naast elkaar leggen van diverse oorlogsgetuigenissen, vielen de puzzelstukken eindelijk in elkaar.

Als een ware escapespecialist stond hij mee aan de basis van het ontluikende verzet én de vorming van de latere inlichtingendienst. Nooit kon hij vermoeden hoe waardevol zijn ontsnappingsroute uiteindelijk zou zijn.

Barbara van der Schrieck

Dochter Frits

De organisatie achter de van Niftrik route zou uiteindelijk vallen door verraad in augustus 1942. Door zijn felle houding verzeilde Frits steeds dieper in het verzet, mede door een gebrek aan bereidwilligen. Hij legde het fundament waar het latere verzet op kon voortbouwen, tot lang na de val van de organisatie.

 

Meer lezen over Frits zijn tochten?

In 1939 trok hij dwars door de VS en Canada. Terwijl zijn vader als gepensioneerde militair onder de wapenen werd geroepen, zat Frits aan de andere kant van de wereld, uitgerekend voor een vredescongres.

In het spoor van Frits

Dwars door Amerika & Canada Maar dan breekt de oorlog uit…

Deel deze post

Comments (2)

  • Proficiat Barbara om het levensverhaal van je vader bij elkaar te schrijven, het zou jammer geweest zijn als dit niet voor het nageslacht bewaard zou zijn.
    Je vader én grootvader waren opmerkelijke mannen, Frits had het niet van vreemden.
    Groetjes,Viviane

    Viviane Van Houdt
    Beantwoorden
    • Hartelijk dank Viviane voor je reactie.
      Ja, het is bijzonder om hun verhalen tot leven te brengen.

      Barbara
      Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Voer een zoekterm in en druk op Enter om te zoeken

Winkelmand